Bosranden vertonen een grote mierendiversiteit, vooral als hier tenminste enige uren per dag zon op schijnt.
Het is gebruikelijk dat de grens van een bos en een weiland ook de grens vormt van de bezitters ervan. Dus is prikkeldraad de markering van die grens.
Veel insecten houden zich graag op langs bosranden. Ook mieren. Voorbeelden daarvan zijn de bosslankmier Temnothorax nylanderi en alle soorten bosmieren Formica. In die smalle zone tussen bos en open terrein is de mierendichtheid groot. Bij prikkeldraadversperringen is die smalle zone te smal.
In geval van beweiding worden de mierennesten vertrapt, in geval van akkerbouw worden de mierennesten weggeploegd, doodgespoten of overwoekerd door de met kunstmest opgejaagde vegetatie.
Een abrupte overgang van een strakke bosrand naar het aangrenzend terrein is minder divers dan een ongelijke bosrand of een bosrand met een geleidelijke overgang van kruiden, via struweel en boomopslag naar bomen. Deze overgangen kunnen ontstaan door selectieve begrazing in deze zone en eventueel door een golvende (vanuit de lucht gezien) prikkeldraadversperring.
|