In een jonge bosaanplant overheersen wegmieren Lasius niger. Weegmieren geven de voorkeur aan gestoorde grond. Ook gewone steekmieren Myrmica rubra zijn algemeen in jong bos aanwezig. De wegmieren kunnen zich tientallen jaren lang langs de paden en bosranden handhaven, mits er maar zon op de kolonies valt. Gewone steekmieren stellen veel minder hoge eisen. Vochtigheid en weinig zon, kan hen niet deren. Binnen enkele jaren is het de dominante mierensoort in het bos en zal dit vele decennia lang blijven. Veel Nederlandse bossen hebben dan ook een relatief grote populatie gewone steekmieren. In oude bossen ontbreekt deze soort gewoonlijk.
Jonge bossen (jonger dan vijftig jaar) die niet grenzen aan bestaande bossen, zoals de bossen in de IJsselmeerpolders of bossen in doorgaans agrarische gebieden, zijn arm aan soorten. In de eerste plaats doordat jonge bossen niet voldoen aan de eisen die de soort aan zijn omgeving stelt, bijvoorbeeld de aanwezigheid van dood hout en een dikke humuslaag. In de tweede plaats omdat koloniseren door nieuwe soorten een moeizaam proces is. Het overbruggen van afstanden van meer dan vijf kilometer lijkt voor de meeste soorten onmogelijk. Transplanteren van stukjes oud, donorbos, dat wil zeggen transplantaten van humuslaag, strooisellaag, oude stammen en stronken, naar zo’n nieuw, acceptorbos, zal de mierensuccessie en die van meer bodemorganismen versnellen. Regiovreemde invloeden moeten voorkomen worden, vandaar dat men moet denken aan een dichtbijtransplantatie.
Kwetsbare soorten in bossen en bosranden zijn amazonemieren en reuzenmieren.
Van de amazonemier Polyergus rufescens zijn nog slechts enkele vindplaatsen bekend. Deze vindplaatsen verdienen extra aandacht. Van belang is dat er een afwisseling is van bomen en schaars begroeide plekken. De amazonemier houdt namelijk van zonnige plaatsen en is afhankelijk van de aanwezigheid van renmieren.
Ook van reuzenmieren Camponotus ligniperda zijn nog maar enkele vindplaatsen bekend. Het huidige bosbeheer is hoopgevend voor een uitbreiding. Reuzenmieren hebben dood hout nodig. Ze houden zich graag op langs bosranden en in open, lichte bossen.
|