DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME ALGEMEEN HET BELANG VAN MIEREN IN HET ECOSYSTEEM
MIEREN BEVORDEREN BOSVERJONGING

 

 

Mieren kunnen in bossen een belangrijke rol vervullen in het ecosysteem. In vrijwel alle bostypen zijn mieren algemeen, hoewel niet altijd even belangrijk. Monocultures van dennenbossen bijvoorbeeld, kunnen hoge dichtheden bossteekmieren Myrmica ruginodis herbergen, maar wat hun rol is, is vooralsnog onduidelijk.


Vrijwel alle mierensoorten die in bossen leven, zoeken de lichtere plekken op. In donkere bossen is de mierendiversiteit laag en ook de dichtheid neemt er af. Humusmieren Lasius platythorax vestigen zich graag in de humuslaag tegen boomstammen. Het wijfje van de schaduwmier L. umbratus is voor het stichten van een kolonie aangewezen op humusmierkolonies. Het wijfje van de schaduwmier dringt de humusmierkolonie binnen en laat de humusmierwerksters voor zich werken. Binnen een paar jaar zijn de humusmierwerksters een natuurlijke dood gestorven en inmiddels vervangen door de nakomelingen van het wijfje van de schaduwmier L. umbratus. De kolonie heeft zich in die tussentijd enigszins verplaatst. Namelijk wat dieper in de grond, wat meer tussen de wortels van de boom. Voor de boom volstrekt onschadelijk. Totdat er een wijfje van de glanzende houtmier L. fuliginosus komt. Zij neemt op haar beurt bezit van de  schaduwmierkolonie. Ook hier zijn de gele werksters binnen enkele jaren vervangen door de pikzwarte houtmierwerksters.

Deze werksters hollen de kern van de boom uit. De wanden van de mierengangen worden bepleisterd met specie: suikerhoudende stoffen met schimmelsporen. De schimmels leven van de suikerhoudende stoffen. De specie wordt hard en de schimmeldraden vormen de bewapening van het mierenbeton. De kolonies bevatten vele duizenden werksters en hun behuizing kan meters lang en decimeters breed zijn. Toch valt een boom met een dergelijke kolonie niet zomaar om. De constructie is stevig. Ook aan de buitenkant is niet te zien dat de boom ziek zou zijn. Geen dode takken en volop in het blad. Veel oude eiken, vooral alleen staande eiken, herbergen houtmierkolonies. Indien een kolonie zich uitbreid in een zijtak, dan is de kans groot dat de tak breekt. Er zijn echter ook boomsoorten die door de aanwezigheid van een zwarte houtmierkolonie korter leven. Dit zijn met name populieren, wilgen en berken.


Het wijfje van de houtmier L. brunneus vestigt zich altijd in beschadigde bomen. Het soort beschadiging maakt niet uit. Als de schors naar ergens is verdwenen. Vaak dringen de wijfjes oude kevergaten binnen. De werksters graven vele gangen en kleine holten, waardoor achter de beschadigde plek een onzichtbare, steeds kwetsbaardere plek ontstaat. Bomen met bruine houtmieren kwijnen langzaam weg, maar dat kan tientallen jaren duren. Vroeg of laat valt de boom om en sleurt in zijn val anderen mee. Zo ontstaan er open plekken in bossen. Plekken waar het bos zich verjongd. Mieren dragen bij aan het stervensproces van bomen en dus ook aan het verjongeningsproces in bossen.


Omgevallen bomen, afgevallen takken en afgezaagde dennenstronken worden door kevers aangevreten. Vervolgens dringen mieren via de kevergaatjes het hout binnen. Humusmieren L. platythorax zijn bijvoorbeeld de belangrijkste verpulveraars van dennenstronken in het Nederlandse bos. Bossteekmieren Myrmica ruginodis, gewone steekmieren M. rubra en grauwzwarte renmieren Formica fusca vestigen zich alle graag in zacht, dood hout. Daar blijven zij totdat het helemaal uit elkaar valt en zij op zoek moeten naar nieuwe doodhoutplekken.

 

 

laatste update: 12.01.2010