Bij natuurontwikkelingsprojecten waar grote hoeveelheden zand zijn omgezet, waar zandwoestijnen ontstaan, behoren wegmieren Lasius niger en zaadmieren Tetramorium caespitum tot de pioniers. Ze graven in de grond waardoor de bodem plaatselijk luchtiger wordt en rijker aan minerale bestanddelen.
Zaadmieren gaan de zaadjes van de eerste plantjes verslepen. De wegmieren gaan onmiddellijk op jacht naar allerlei insecten, waardoor de kiemplantjes niet onmiddellijk worden kaalgevreten door rupsen of kevers.
Aanvankelijk moeten de wegmieren het vooral hebben van insecten die op de schaarsbegroeide bodem gemakkelijk tot slachtoffer zijn te maken.
Al spoedig hebben wortelluizen en/of bladluizen zich in het gebied gevestigd. Als echte veeboeren zullen de mieren de nakomelingen van de snel voortplantende luizen over de planten in hun territorium verspreiden. De luizen worden “gemolken” en het overschot wordt “geslacht”.
Naar mate de vegetatie zich verder ontwikkelt en meer gesloten wordt, verdwijnen de wegmieren en de zaadmieren. Andere soorten mieren nemen hun plaats in. Welke soorten dit zijn is afhankelijk van het biotoop en de aanwezigheid van soorten in de aangrenzende gebieden die zich hier zouden kunnen ontwikkelen.
|