DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
 
 
HOME
 
  NIEUWS  
 

 

16.10.2010

Stronkmieren in de kustduinen.

In de Schoorlse Duinen (Staatsbosbeheer) is op 13 oktober een nestje gevonden van de stronkmier Formica truncorum. De stronkmier is een van de zeldzaamste mierensoorten van Nederland. Er is maar een gebied waar ze ook voorkomen en dat is in de omgeving van Ommen in Overijsel. Een andere vindplaats waar ooit een keer een nest is gevonden, langs de A 28 bij 't Harde (Veluwe), is verdwenen.

De noordwestelijke grens van het verspreidingsgebied van de stronkmier ligt nu in Schoorl.

Stronkmieren hebben in Nederland de status van 'bedreigd tot bijna uitgestorven' en vallen qua bescherming onder de Flora- en Faunawet.

 

  stronkmier
stronkmieren  
Stronkmieren zijn gemakkelijk te onderscheiden van andere bosmiersoorten. De kop is meestal helemaal rood en de kop is dicht behaard, inclusief het 1e antennelid.

 

Het nest is wat rommeliger en slordiger dan dat van andere bosmieren. Het doet een beetje denken aan de nesten van bloedrode roofmieren. Overigens zijn nesten ook vaak aan het oog onttrokken, omdat ze onder stenen of in- en onder omgevallen bomen of stobben zitten. Het nest op de foto hiernaast is het nest uit Schoorl.

  stronmiernest

 

 

De vraag is natuurlijk: Hoe komt de stronkmier in Schoorl (gemeente Bergen NH) terecht?

Drie theorieën kunnen zijn:
1. De stronkmieren van Schoorl zijn een relictpopulatie.
Van de kleine populatie uit de omgeving van Ommen wordt verondersteld, dat het om een relictpopulatie gaat. Dit zou ook verondersteld kunnen worden van de stronkmieren in Schoorl. In tegenstelling tot de Sallandse Heuvelrug, zijn de duinen van Schoorl jong. Bovendien waren de duinen hier in het begin van de vorige eeuw kale, stuivende duinen. Een bosmieronvriendelijke omgeving dus. Een relictpopulatie lijkt daarom onwaarschijnlijk.

2. Een bevrucht stronkmierwijfje heeft Schoorl vliegend bereikt.
Van stronkmieren wordt aangenomen dat ze zich slecht verspreiden (Mabelis en Chardon, 2006; zie literatuurlijs). Toch hebben stronkmieren duidelijke en relatief hoge zwermvluchten. Mieren met dergelijke zwermvluchten kunnen zich in het algemeen goed verspreiden. Dat ze erg zeldzaam zijn in Noordwest Europa zou kunnen komen doordat het vestigen van een nieuwe kolonie, om wat voor reden dan ook, veel moeizamer verloopt dan die van andere bosmiersoorten. Anderzijds lijkt het erg onwaarschijnlijk dat een bevrucht stronkmierwijfje helemaal uit Ommen, of van nog verder is komen aanvliegen. Ommen ligt hemelsbreed 125 km van Schoorl en de dichtstbijzijnde andere vindplaatsen zijn Wallonië in het zuiden en voorbij Bremen in het oosten. Bovendien zijn deze drie populaties erg klein, vaak niet meer dan enkele nesten.

3. De stronkmieren zijn met ingevoerde planten meegekomen.
De stronkmieren in Schoorl zijn gevonden in een dennenbos. Die dennen zijn aangeplant. Een deel van het dennenbos in de buurt van het nest is jonger dan dertig jaar. Het plantgoed uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw is afkomstig uit Nederland. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat de stronkmieren met dit plantgoed zijn meegekomen. Een groot deel van het dennenbos is echter veel ouder. Er is in de vorige eeuw veel geëxperimenteerd met het aanplanten van diverse soorten dennenbomen in de duinen. Ik probeer nu te achterhalen of daar in de archieven nog iets van te achterhalen is. Overigens bevinden de nesten in de omgeving van Ommen zich ook in (de buurt van) dennenbossen die zijn aangeplant, evenals het nest wat zich ooit bij ’t Harde  bevond.

Suggesties en gegevens over de herkomst van dennen in Nederland zijn zeer welkom!

 

Peter Boer
p.boer@quicknet.nl

 

 

16.8.2010

Exoot of oprukkend vanuit het zuiden?

Plagiolepis schmitzii, de Atlantische dwergschubmier, is voor de tweede keer in Nederland aangetroffen. En niet zo maar ergens een nestje, maar in een hele woonwijk worden ze zowel binnen als (vooral!) buiten in de tuin aangetroffen.

De werkstermieren zijn zo klein, dat ze gemakkelijk over het hoofd worden gezien: 3,2 – 3,6 mm. Pas als ze in colonne in huis op zoek gaan naar voedsel gaat het opvallen. Als ze dan ook nog over tafels, stoelen en aanrechten gaan wandelen, wordt het echt irritant, al zijn ze nog zo klein.

De nestjes zijn in omvang maar erg klein, nauwelijks meer dan een decimeter in doorsnede. Daar leven dan zo’n 200-400 miertjes bijeen.

Dwergschubmieren komen in Noordwest Europa nauwelijks voor. In België, Duitsland en Frankrijk komt de gewone dwergschubmier P. vindobonensis voor. Deze lijkt erg veel op de Atlantische dwergschubmier, maar ook op de Mediterrane dwergschubmier P. pygmaea.

De Atlantische dwergschubmier is bekend van Portugal en Spanje en sinds kort van het eiland Wright (Zuid Engeland). Verder zijn mij geen Europese waarnemingen bekend. Mogelijk berusten sommige waarnemingen in Frankrijk op een foute determinatie. Als dit juist is zou dat in kunnen houden dat deze nietige mierensoort in opmars is naar het noorden. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat deze mierensoort per ongeluk is geïmporteerd met planten uit Spanje, Portugal, Marokko of Algerije.

Atlantische dwergschubmieren zijn eerder gevonden in Utrecht (ook binnen en buiten). De enorme populatie van 2010 is afkomstig uit Zeeland. Dat ze zich kunnen verspreiden is zeer waarschijnlijk, want in de nesten werden gevleugelde mieren aangetroffen. De kans dat ze elders in Nederland opduiken is zeer groot.

Hoe dwergschubmieren te herkennen?
Ze zijn erg klein (3,2 – 3,6 mm), lopen als sneltreintjes, vaak met velen achter elkaar naar en van voedselbronnen. Als ze onder een steen zitten, zitten ze met honderden heel dicht bij elkaar. Ze lijken op het eerste gezicht wel wat op onze doodgewone wegmier. Die zijn groter: 4 – 5 mm. Tussen het achterlijf en het borststuk zie je bij wegmieren een soort schub, bij dwergschubmieren is die schub aan het oog onttrokken. Tenslotte: de ogen staan bij dwergschubmieren net onder het midden, bij wegmieren boven het midden.

Helaas zijn er geen foto’s bekend van de Atlantische dwergschubmier.

Meldingen van dwergschubmieren zijn zeer welkom. Ze kunnen gemeld worden via www.waarneming.nl of bij het KAD te Wageningen.

Peter Boer en Bruce Schoelitsz (KAD-Wageningen)

dwergschubmieren(1)
  dwergschubmier

Foto rechts: kop van Plagiolepis pygmaea (foto antweb.org), foto links werksters en koningin van Plagiolepis spec.
( www.lamarabunta.org)

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

18.02.2010

Nieuwe soort voor de Nederlandse fauna:

de bruine staafmier Ponera testacea

Deze soort werd al in 1999 gevonden. Onder een laag mos op stenen door Matty Berg in Huizen (NH). Twee werksters werden verzameld en kwamen terecht in het Nationaal Natuurhistorisch Museum / Naturalis. Ze hadden de naam gekregen van een soort die erg veel op ze lijkt, namelijk de zwarte staafmier Ponera coarctata. Onlangs werden ze herontdekt in de collectie. Gezien de kleur en de dikke schub moesten ze wel behoren tot de soort Ponera testacea. Een Hongaarse myrmecoloog Sandor Csosz, die onderzoek naar deze soort heeft gedaan, heeft de determinatie bevestigd.
Deze soort komt vooral voor in Centraal- en Zuid-Europa. In Belgie zijn recentelijk ook enkele vindplaatsen bekend geworden.

Matty Berg en Peter Boer bereiden een artikel voor over deze waarneming. Het zal gepubliceerd worden in Nederlandse Faunistische Mededelingen.

ponera testacea

Bovenstaande foto is gemaakt door April Noble (antweb.org). Deze werkster is afkomstig uit Griekenland en is ook verkeerd gedetermineerd, nl. als P. coarctata, wat P. testacea moet zijn.

 
 
laatste update: 22.10.2010