DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DE IN- EN EXPORT VAN RODE BOSMIEREN Formica polyctena & rufa
  bosmierentransport

De geexpoteerde bosmieren werden vervoerd in grote emmers of vaten. In Midden-Europa werden kleine vrachtwagens gebruikt voor het vervoer.

 

 


 

 

De verspreiding van rode bosmieren, speciaal de behaarde en kale rode bosmieren, zowel in Nederland als daarbuiten (Eurazie), is gelijk. In veel streken is deze echter kunstmatig! Toen men namelijk ontdekte (al in de 18e eeuw) dat rode bosmieren zeer nuttig zijn als bestrijders van plaaginsecten in de bosbouw, is men rode bosmieren gaan beschermen en uit gaan zetten op plaatsen waar er gebrek aan was. Bekend is dat de verhuizingen in heel Europa hebben plaats gevonden en grensoverschrijdend zijn geweest. De kale rode bosmier heeft in zijn nest altijd meerdere koninginnen (‘polygyn’). Een deel van de behaarde rode bosmieren hebben één koningin (‘monogyn’), maar een belangrijk deel is polygyn.

Het selecteren
Het selectiecriterium voor de export naar nieuwe gebieden was het polygyn zijn. Immers, als je één nest uitzette, kon je er van verzekerd zijn, dat je binnen een aantal jaren meerdere nesten had.
Hoewel het uitzetten in Nederland slecht gedocumenteerd is, hebben we hier toch een aantal zeer succesvolle voorbeelden van dit fenomeen gezien. In 1971 werden in het Robbenoordbos (NH) polygyne rode bosmieren uitgezet. Hier kwamen geen rode bosmieren voor. Ze vermeerderden zich gestaag door afsplitsing. Nu (2014) zijn er meer dan 200 nesten geteld. Hetzelfde beeld zien we in de duinen van Noordwijk (ZH) en Schoorl (NH) (waar ze beide zijn uitgezet eind jaren zestig van de 20ste eeuw). In deze gebieden bevinden zich eveneens zeer grote concentraties van honderden nesten, alle afkomstig van enkele nesten, die gehaald waren uit de duinen zuidelijk van Den Haag (nu Solleveld en Ockenburg).

Waarom Solleveld en Ockenburg?
In de eerste plaats omdat zich hier een grote concentratie bevond en in de tweede plaats omdat de rode bosmieren overlast gaven op een aangrenzende camping.
Hoe kwam deze concentratie daar?
Mogelijk van Schouwen (ZE), waar ook een enorme concentratie zit. Terwijl die van Schouwen misschien afkomstig zijn uit Engeland (althans volgens Elton (mond.med., iemand die ooit in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de 20e eeuw rode bosmieren heeft uitgezet namens het toenmalige Itbon, nu Alterra). Opmerkelijk is dat volgens de officiële mierenatlas van Groot Brittannië, de kale rode bosmier niet in Engeland voorkomt. Ik vond er echter zeer schaars behaarde rode bosmieren, die hier behaarde rode bosmieren worden genoemd. In Europa zouden deze kale rode bosmieren hebben geheten. Maar nu komt het: overal waar zich in Nederland uitgezette, grote polygyne populaties bevinden, zijn veel schaars behaarde rode bosmieren te vinden. Komt dit vanwege de mogelijk Engelse roots, of zijn het nazaten van een succesvolle populatie die als bastaarden (kruisingen tussen behaarde en kale rode bosmieren) zijn begonnen?
Dat op Schouwen eerder rode bosmieren zijn ingevoerd dan rond Den Haag is onwaarschijnlijk, gezien de beplantingsgeschiedenis van Schouwen. Het is namelijk waarschijnlijk dat rode bosmieren werden uitgezet op het moment dat het bos zich begon te ontwikkelen. Ik vermoed daarom dat de Schouwense populatie van elders is gekomen en dat, als er ooit Engelse bosmieren zijn ingevoerd, dit gebeurd moet zijn in de buurt van Wassenaar.

Kunstmatige verspreiding
Faunavervalsing, als je dit zo mag noemen, gebeurde ook door de import van nesten ten behoeve van tentoonstellingen in educatieve natuurcentra. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij het bezoekerscentrum De Hoep van het PWN in Castricum (NH) in 1983. De bosmieren kwamen uit Meijendel (Wassenaar, ZH). Om dezelfde rede werden ze uitgezet in de buurt van het huidige Ecomare op Texel (NH) in 1962. Deze waren afkomstig uit de Kennemerduinen.
Mogelijk dat de Wassenaarse populatie ook afkomstig is van Solleveld/Ockenburg, maar andersom kan ook. In de twintigerjaren van de vorige eeuw was de rode bosmier in Meijendel zeer algemeen (Betrem 1826).

Stropers en jachtopzieners
Het uitzetten gebeurde ook door stropers (niet moedwillig) en jachtopzieners. In beide gevallen gaat het om de mierenpoppen (ten onrechte vaak ‘miereneieren’ genoemd) waarin zich de gevleugelde mieren ontwikkelen. Deze zijn groter dan de werksterpoppen. De poppen van de kale- en behaarde rode bosmier zitten in dezelfde periode in het nest als wanneer de fazantenkuikens uit het ei komen, namelijk in de periode maart – mei. Jachtopzieners dachten dat hun fazantenkuikens veel beter groeiden en sterker werden als ze opgefokt werden met mierenpoppen. De rode bosmierpopulatie in het Zwanenwater (Callantsoog, NH) is hier vrijwel zeker een voorbeeld van. Fazantenfokkers (lees: jachtopzieners) exploiteerden dus (geïmporteerde) rode bosmiernesten. Dit gebeurde al eeuwen en niet alleen in Nederland.
Mierenpoppenstropers oogsten de poppen door de nesten te zeven. Om te voorkomen dat ze betrapt worden, scheppen ze de nesten met mieren en al in zakken en zeven de inhoud elders uit. Op dergelijke zeefplekken, indien in de buurt van bos, ontstonden en ontstaan (want het stropen gebeurd nog steeds!) nieuwe mierennesten.

Importbosmieren verdringen de oorspronkelijke bosmieren?
Het uitzetten ging niet vooraf aan een inventarisatie ter plaatse. In Schoorl bijvoorbeeld leefden (waarschijnlijk uitsluitend?) monogyne behaarde rode bosmieren voordat er polygyne rode bosmieren werden uitgezet. Op plaatsen waar een paar geïmporteerde nesten werden gedumpt, komen nu allerlei mengvormen voor, verdeeld over honderden nesten. Het is de vraag of de monogyne rode bosmier hier nog wel voorkomt. De importmieren hebben dus de oorspronkelijke soort mogelijk verdrongen.

Vervelende bijkomstigheid is dat op veel plaatsen waar rode bosmierkolonies van vele nesten zijn ontstaan, de mieren hier overlast geven en bestreden moeten worden (met toestemming van de overheid). Dit is het geval bij campings, zomerhuisjes, restaurants en zelfs bij de educatieve centra die de mieren juist hadden ingevoerd!


Bronnen
Betrem JG 1926. De Mierenfauna van Meijendel. De Levende Natuur 29: 211-220.
Boer P 2010. Mieren van de Benelux. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, 's Graveland. 184pp.

Boer P 2016. Raadsels rond de Haagse bosmieren. Holland's Duinen nr. 67: 17-21. [pdf]

 
   
   
   

 

Peter Boer, laatste update: 20.01.2015