DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DROGE HEIDEN, de hoogste mierendiversiteit, mits...
     
heide
Struik- en kraaiheide met hier en daar wat bomen. ix 2009, Schoorl (NH).
 

Onze heiden op de kalkarme zandgronden zijn vrijwel overal kunstmatige landschappen. Heiden horen tijdelijk te zijn. Ze verschijnen waar we bos hebben gekapt of akkers aan de natuur hebben teruggegeven en verdwijnen doordat er bomen gaan groeien, eerst een paar, dan steeds meer, tot de heide (weer) bos wordt. Nederland herbergt een onnatuurlijk groot oppervlak aan monoculturele heide. Deze wordt in stand gehouden door de boomopslag met wortel en al uit te rukken, of door landbouwhuisdieren die de jonge boomscheuten steeds opnieuw afknagen. Alleen dicht langs de kust komen nog (bijna) natuurlijke heidevelden voor.

Mieren in heidevelden
Typische, voor heide karakteristieke mierensoorten bestaan niet. Logisch voor een dergelijk kunstmatig biotoop. Wel zijn er soorten die je altijd in heiden aantreft: de grauwzwarte renmier Formica fusca, de bossteekmier Myrmica ruginodis, de zandsteekmier M. sabuleti, de kokersteekmier M. schencki en de zwarte zaadmier Tetramorium caespitum (Boer 2010). Hun dichtheid en de samenstelling is afhankelijk van het successiestadium waarin de heide zich bevindt. Een jonge duinheide die zich ontwikkelt op een duingrasland herbergt bijvoorbeeld veel buntgrasmieren Lasius psammophilus, terwijl een oude heide wordt gedomineerd door bossteekmieren en humusmieren L. plathythorax.

Heiden zijn kwetsbaar
Monocultures zoals heiden zijn kwetsbaar. We zien dat bijvoorbeeld als het heidehaantje weer eens heeft huisgehouden, waardoor de heide bruin wordt en gedeeltelijk afsterft. Insecten die massa's heidehaantjes consumeren zijn satermieren F. exsecta in de duinen en bloedrode roofmieren F. sanguinea op de hogere zandgronden. Helaas is het beheer van heidevelden er niet opgericht om de leefomstandigheden van deze twee mierensoorten te optimaliseren. In aaneengesloten heidevelden sterven deze mierensoorten uit, bij gebrek aan licht en warmte. Het is daarom aan te raden om in een heidevelden jaarlijks een 10% te maaien (eventueel chopperen of hier en daar wat plaggen), zodat de mieren zich kunnen handhaven. Begrazen van vooral wat oudere heide is in dit verband ongewenst. Schapen lopen tussen de heidestruiken of op de kale delen rond de heideplaten of ze lopen over de jonge heideplanten. Dus precies op die delen waar mieren, maar ook graafwespen, spinnendoders, zandhagedissen, sprinkhanen, enzovoorts leven (zie ook de website pagina over begrazen). Grote grazers zijn eveneens ongewenst, onder andere omdat de voor insecten en vogels zo aantrekkelijke boompjes niet meer veilig zijn.
Het verdient aanbeveling om delen van de heide aan te wijzen als insectenreservaat, dus delen waar grote grazers worden geweerd en waar periodiek wordt gemaaid of gechopperd.

Van bos, via kapvlakte naar droge heide
Bos op een arme, zure zandbodem heeft zich ooit ontwikkeld op een vegetatie met veel heide. Heidevelden zijn populair, wat een belangrijke rede is om bos te kappen, zodat de heide zich weer kan ontplooien. Op een droge bodem, zoals een groot deel van de kustduinen en hogere zandgronden, is dit niet zo'n probleem. Hoe de heide zich ontwikkelt, is afhankelijk van de ingrepen van de natuurbeheerder. Leidt dit tot een eenvormige, dichte struikheidevegetatie, dan is de mierendichtheid (en die van andere insecten) zeer laag, met maximaal een handvol mierensoorten. Een hoge dichtheid ontstaat als men toestaat dat zich een gevarieerde vegetatie ontwikkelt met kale zandige plekken, plekken met mossen en korstmossen en hier en daar bomen. Een dergelijke vegetatie is bijzonder rijk aan insecten. In het huidige natuurbeleid wil men dit soort vegetaties bereiken door hier schapen en of runderen en of paarden te introduceren. Het nadeel daarvan is dat struiken en bomen het moeten ontgelden, hier en daar dichte grasmatten ontstaan en zaden van grassen middels hun uitwerpselen flink worden verspreid. Een beter alternatief is om opslag van bomen selectief en slechts gedeeltelijk te verwijderen en de gespaarde bomen pas om te zagen als de heide er onder en omheen is verdwenen. De stobben niet verwijderen en de takken afvoeren. Aanvankelijk zullen grassen profiteren van deze nutrientrijke plek, maar na enkele jaren verdringt de heide de grassen weer.
Om kale plekken in de heide te creƫren is het aan te bevelen om zeer beperkt, dus kleine oppervlakten, bijvoorbeeld in een visgraatstructuur, te plaggen. De hier geschetste vegetatie herbergt de rijkst denkbare mierenfauna van Nederland, dat wil zeggen dat hier 40 soorten kunnen leven. Dat is 59 % van de Nederlandse mierenfauna.

Heideakkers
Versluys et al (2013) tonen aan dat de mierendiversiteit in heiden (26 soorten) groter is dan in actief beheerde heideakkers, 1-4 jaar braakliggende heideakkers en vele jaren oude heischrale braakakeers (16-17 soorten). Toch valt er wel wat af te dingen op deze conclusie, omdat er meer heideterreinen werden onderzocht (8) dan heideakkers en heischrale braakakkers (2-3). Een vergelijking tussen aan elkaar grenzende terreinen ontbreekt in het onderzoek.
Anderzijds wordt door dit onderzoek wel duidelijk dat mierensoorten met nesten in de strooisellaag en mieren met 'complexe' bodemnesten, beter af zijn bij geen beheer dan in het geval van intensief begrazen en plaggen.

Bronnen
Boer P 2008. Het inventariseren en monitoren van mieren (Hymenoptera: Formicidae). Nederlandse Faunistische Mededelingen 28: 17-34
.
Versluijs R, Vogels J & Noordwijk T van 2013. Mierengemeenswchappen in het heidelandschap. De Levende Natuur 114: 220-225.

 
heide_metkap
Op het struik- en kraaiheideveldje is een zwarte den gekapt. Op de kapplaats ontwikkelen zich grasachtigen en verschijnt opslag van berk en lijsterbes. Precies op deze plek is de biodiversiteit (waaronder die van de mieren) het grootst. viii 2013, Schoorl (NH).
satermiernest
Nest van de satermier
Formica exsecta in struikheide. De satermieren zien kans om een open plek in de heide te handhaven. viii 2006, Bergen (NH).
heide&bos
Mozaiek van bos, mossen, korstmossen en struikheide. Niet begraasd. Hier is de mierendiversiteit groot. ix 2013, Bergen (NH).

 

Peter Boer, laatste update: 15.10.2013