DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DE GEWONE SATERMIER - Formica exsecta
  kop satermier  


De satermier dankt zijn naam aan de, op het eerste gezicht, duivelse hoorntjes. In feite zijn de zijkanten van de kop verlengd, waardoor er binnenin, meer ruimte is voor kaakspieren (Dietrich 1998). Die zijn danook relatief lang, waardoor ze meer kracht kunnen zetten bij het bijten. En dat kan je voelen! Steek je hand maar eens in een satermiernest. Honderden tegelijk zullen je pijnigen, want ze kunnen niet alleen stevig bijten, ze zijn bovendien zeer agressief.

Voorkomen
In Nederland komen ze alleen op de zandgronden boven de grote rivieren voor. We kunnen ze aantreffen in open bossen, bosranden, droge graslanden met lage struwelen en al of niet vochtige heidevelden. Zelfs vlak lang de rand van vennetjes kunnen we ze tegenkomen (Ellis & Flik 1960; Boer 2010).

Herkennen
Zie de verschillen met andere bosmieren en met de andere satermier, de deuklipsatermier.

Koepelbouwers
Satermieren zijn, net als rode bosmieren, koepelbouwers. Hun koepelnest bestaat uit fijn materiaal zoals grassen, heideknoppen, - bloemen en heideblaadjes. Deze worden geregeld van de planten afgebeten. Het vers afgebeten plantenmateriaal kan de koepel kleur geven. Het koepelnest kan tientallen jaren op dezelfde plek liggen en is dan behoorlijk in omvang, tot 2,6 meter in doorsnede. Meestal zijn de nesten bescheiden in grootte.
Satermieren bouwen hun nest (net als gewone bosmieren en bloedrode roofmieren) vaak tegen een helling of hellinkje, boomstobben, boomstammen of heidepollen, die gewoonlijk min of meer op het zuiden zijn georiënteerd en vaak beschut zijn gelegen. Hoe minder vegetatie bij het nest, hoe belangrijker de beschutting.

Ver(struik)heiing
Afsplitsen van een groot nest in één of meer kleinere nesten is mogelijk doordat in een nest vele koninginnen (polygynie) leven. Als er afsplitsingen plaatsvinden, is daar altijd tenminste één koningin bij betrokken. Afsplitsingen zie je in een omgeving waar de vestigingskansen gunstig zijn. Zo vond ik in 1984 enkele satermiernestjes op een kapvlakte, waar voorheen wat sparren stonden. Het aantal nesten steeg geleidelijk, met als maximum 50 koepels in 1995. Inmiddels had zich hier een struikheideveldje ontwikkeld. Vooral rond de grotere koepelnesten bleef het heidevrij. Toch nam de verheiing steeds sterker toe. Dit had tot gevolg dat een deel van de populatie massaal, in kolonne!, het heideveld verliet, hun oude nesten achterlatend, via een smalle strook met bomen en zich 40 meter verderop ging vestigen in een vrij open vegetatie van jonge abelen met een ondergroei van mos en wat zandzegge en duinriet. De satermieren die achterbleven gingen hier en daar fuseren. Daardoor werden hun nesten groter, volkrijker, en konden zich beter tegen de oprukkende struikheide afzetten. In 2012 waren er nog acht koepels over, waarvan zeven met doorsneden van 1,5 tot 2,6 meter.

Vergrassing
Het deel van de populatie dat verhuisd was naar het abelenbosje, heeft aardig wat 'voor de kiezen' gehad. In 2004/2005 grondverzetwerkzaamheden, enkele jaren later werden de jonge abelen verwijderd, waardoor vergrassing optrad, waarna schapen werden ingezet. Het gevolg is een onrustige situatie van sterk fluctuerende hoeveelheden. Steeds weer verhuizen, opsplitsen, fuseren (met een maximum van 0,7 m doorsnede), weer verhuizen, enzovoorts. Kortom niet bevorderlijk voor een levenskrachtige populatie.

Ver(kraai)heiing
Op een andere plek ontwikkelde zich eveneens een satermierpopulatie vanaf een kapvlakte op een al bestaand heideveldje. In 1985 waren hier negen koepelnesten, in 1995 26. Ook hier nam de verheiing toe. Anders dan op het zojuist genoemde stuikheideveldje ontwikkelde zich hier een dichte kraaiheidemat dat de schaars begroeide plekken tussen de struikheidepollen in ging nemen. Tegen deze vorm van verheiing waren de satermieren niet bestand. Er moest dus verhuisd worden. Slechts een klein deel had geluk. Hun verhuizing leidde naar een open plek in een gemengd loofbos, 70 meter verderop. Daar bevonden zich in 2012 vier koepelnesten, het restant van de eens zo grote populatie. Doordat de bomen hier steeds meer schaduw veroorzaken, is deze populatie ten dode opgeschreven, door gebrek aan een geschikt, zonnig leefgebied (met een korte vegetatie!) in de nabije omgeving.

Gedrag tegenover andere mieren
Essentieel voor het vestigen van een hele nieuwe nestpopulatie is de grauwzwarte renmier Formica fusca. Een bevruchte satermierprinses is niet instaat zelfstandig een volk te stichten. Ze moet zich binnen dringen in een nest van de grauwzwarte renmier. Als dat lukt (die kans is heel klein) gaan de renmieren haar als koningin accepteren en haar broed verzorgen. Uiteindelijk sterven de renmieren uit als gevolg van het ontbreken van een renmierkoningin.
Een mier die veel in satermiernesten voorkomt is de glanzende gastmier Formicoxenus nitidulus. In de satermierkoepel kunnen zich meerdere van hun nestjes bevinden. In de Noord-Hollandse duinen van Bergen en Schoorl wordt elke grote satermierkoepel bewoond door glanzende gastmieren.
In de literatuur ben ik wel eens tegengekomen dat er concurrentie bestaat tussen rode bosmieren en satermieren. De enige waarneming van mijzelf in deze richting is dat een verhuizende groep satermieren zich vestigde bovenop het nest van de behaarde rode bosmier Formica rufa. Het is echter niet duidelijk geworden of de satermieren de bosmieren hadden verjaagd of dat de bosmieren net verhuisd waren. Overigens is dit verhuisde bosmiernest, mogelijk door toename van het aantal satermiernesten in de directe omgeving, uiteindelijk uitgestorven.
Een andere concurrent, of misschien zelfs vijand, is de glanzende houtmier Lasius fuliginosus. Deze mieren zijn in staat om nesten van satermieren flinke schade toe te brengen (klik hier voor meer details). Anderzijds heb ik waargenomen dat tussen enkele satermieren en een flinke houtmierenkolonie in, een sparrenboom stond die aanvankelijk onder controle stond van de houtmieren. Zij melkten luizen in deze spar. De satermieren hebben de glanzende houtmieren verjaagd. Tot de spar door de beheerder werd gekapt, hebben zij de controle over de boom gehouden.
In de literatuur komen we tegen dat satermieren ook mieren doden, waarschijnlijk met het doel hen als voedselconcurrent te verdringen (Dietrich 1998).

Planten en satermiernesten
Satermiernesten zijn zelden geheel begroeid door planten. Als dit dreigt te gebeuren, wordt er verhuisd. Op de kale, zandige plekken rond grote koepels, ontstaat vaak een mosvegetatie (voor een soortenlijst klik hier). Verder zijn het in de kustduinen vooral zandzegge en ook wel duinriet die rondom de koepelnesten groeien. Verrassend is dat die vegetatie, enkele jaren nadat de mieren het nest hebben verlaten, is verdwenen.
Omdat de vegetatie op satermiernesten vitaler is dan in de directe omgeving (klik hier voor meer details) worden de nesten graag begraasd door grote grazers. Dit houdt in dat de nesten vaak worden vertrapt. Verhuizingen zijn in dit soort omstandigheden schering en inslag. Deze kosten veel energie en zijn niet per definitie succesvol. Begrazing is dus een bedreiging van de in Nederland bepaald niet algemene satermier.

Natuurbeheer
De grootste bedreiging van satermieren is verheiing (enerzijds als vorm van verstruiking, indien sprake is van een steeds hoger wordende struikheidevegetatie en anderzijds als vorm van verstikking, indien sprake is van een compacte kraaiheidevegetatie) en verbossing. Vergrassing lijken satermieren goed tegen bestand, te meer daar ze actief de grassen afbijten om als nestmateriaal te gebruiken. Bovendien sterven de grassen af die de nestkoepel binnen groeien.
Satermiernesten bevinden zich altijd op plaatsen waar een groot deel van de dag de zon op het nest kan schijnen. Indien de vegetatie dat verhinderd (verstruiking, verruiging, verbossing) verdwijnen de satermieren. Uit bovenstaande voorbeelden uit de Noord-Hollandse duinen blijkt dit, maar ook elders is dit vast gesteld, bijvoorbeeld in de omgeving van Ommen. Vaak zijn heidevelden gesloten, onnatuurlijke vegetaties. Afwisseling in een heideveld, met kale en schaars begroeide stukken daartussen zijn veel natuurlijker. Overigens niet alleen voor satermieren. Als de beheerder er voor kiest om de natuurlijke successie van heide (naar bos) tegen te gaan, is het aan te bevelen om geregeld stukjes heide te maaien, te chopperen of te plaggen (afhankelijk van de lokale situatie), bijvoorbeeld in een visgratenpatroon, hoe dunner de ‘graten’, des te beter.
In een ‘verbost’ gebied kan het al helpen door de bomen langs de paden te kappen. Weg- of spoorbermen die dichtgroeien met struiken en boomopslag, kan men eveneens (gefaseerd) maaien.

Bronnen
Boer P 2010. Mieren van de Benelux. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, 's Graveland. 184pp.

Dietrich CO 1998. Plünderung eines Formica lemani-Volkes durch Formica exsecta (Hymenoptera: Formicidae) am Göller (Österreich: Niederösterreich) mit einer funktionellen Deutung des Beissverhaltens der Formica exsecta-Gruppe. Myrmecologische Nachrichten 2: 19-34.
Ellis WN en BJG Flik 1960. Rapport over het voorkomen en de oecologie van de mieren Formica exsecta Nylander, 1846 en Formica picea Nylander, 1846 in Nederland. Amsterdam 12pp + bijlagen [op te vragen bij de bibliotheek van de NEV].

  Kop van gewone satermier. Foto: antweb.org.  
  trend satermier  
  Satermierpopulatie (aantal nestkoepels) in een ontwikkelende struikheidevegetatie (blauw) en een vanuit deze populatie afgesplist deel dat zich vestigde in een (uiteindelijke) vegetatie van zandzegge (rood). Bergen NH.  
  neste Formica exsecta  
 

Het satermierennest wordt overwoekerd door struikheide. Bergen NH, x 2012.

 
  nest formica exsecta  
  Het satermiernest is geconcentreerd in een smalle strook tussen oprukkend struikheide, waar nog net voldoende licht valt. Bergen NH, x 2012.  
 
nest satermier
Doordat verschillende satermiernestpopulaties zijn gefuseerd, kunnen zij de oprukkende struikheide trotseren. Bergen NH, x 2012.
Oorzaken van de achteruitgang van de satermier in de duinen van Bergen NH, 2013 ten opzichte van de jaren 1993-99 (n=93).

 

 

Peter Boer; laatste update: 23.07.2013