DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DE DEUKLIPSATERMIER - Formica pressilabris gaat hard hollend achteruit
  deuklip  


Deuklippen zijn zeldzame mieren in Noordwest Europa. In de aan Nederland grenzende Duitse deelstaten, in Belgiƫ en in Groot Brittanniƫ komen ze niet voor (Boer 2010). Verder in Duitsland zijn maar twee vindplaatsen bekend. In Nederland leven diverse populaties, die alle bedreigd worden. De grootste bedreiging lijkt natuurbeheer te zijn. De grootste populatie in Noordwest Europa komt voor in de Grafelijkheidsduinen bij Den Helder. De populatie wordt geschat op 150 nestkoepels, op nog geen 1 km2 (Boer 2010)!

Hoe zo deuklip?
De naam suggereert dat de 'bovenlip' is ingedeukt. Met lip wordt het kopschild bedoeld, wat je met enige fantasie ook de bovenkaak zou kunnen noemen. Met een 20x loep is hier vaak een deukje te zien, als je de kop van opzij bekijkt. Maar lang niet alle werksters hebben zo'n deukje. Geen betrouwbaar kenmerk dus.
De enige andere satermier die in Nederland voorkomt, is de gewone satermier Formica exsecta. Het enige betrouwbare verschil tussen die twee zijn de lange kaaktasters*) bij F. exsecta (reiken tot het oog) en de korte (reiken bij lange na niet tot het oog) bij F. pressilabris. Andere verschillen die in determinatiewerken worden genoemd zijn: 1. haren op de achterrand van het 1e en 2e achterlijfsegment bij F. exsecta, niet bij F. pressilabris. Echter: bij F. exsecta kunnen ze ook ontbreken! 2. minuscule haartjes tussen de facetten van de facetogen bij F. exsecta en niet bij F. pressilabris. Ook deze kunnen bij F. exsecta nagenoeg ontbreken! Toch is het mogelijk deze kenmerken te gebruiken, maar dan moeten meerdere werksters van een nest bekeken worden.

Altijd samen met gewone satermieren
Bijzonder is dat ze op alle Nederlandse locaties naast de gewone satermier voorkomen. Doordat de koepelnestjes van de deuklippen kleiner zijn, vallen ze minder op. Het voordeel wat deuklippen hebben boven de gewone satermieren is dat ze hun meer oppervlakkige nest gemakkelijker, sneller kunnen verhuizen als de omstandigheden daarom vragen. Dat maakt monitoring lastig: een verdwenen nestje kan verhuisd zijn.

Gevoelig voor natuurbeheermaatregelen
Door de oppervlakkige structuur van het nest zijn ze erg gevoelig voor plaggen en chopperen en lopen ze bij begrazing grotere kans om te worden vertrapt. Bij verbossing van de natuurlijke habitat (al of niet vergraste natte of droge heide), sterven ze uit.

De achteruitgang
Cijfers hierover ontbreken nagenoeg. In 't Gooi en op de Veluwe zijn ze uitgestorven. In Salland (OV) en Zuidwest Drenthe nemen ze af. Of ze op de Waddeneilanden Texel, Vlieland en Terschelling achteruitgaan is onbekend.
Op de Bestehmenerberg (45 ha) bij Ommen (OV) werden in 1989 81 satermiernesten geteld, waaronder 22 van deuklippen ( 27 %) (Mabelis 2011). In 2011 en 2012 waren dat 31 satermiernesten, waaronder 7 van deuklippen (23 %) **). Dus een achteruitgang van satermieren in algemene zin.
In het hele Ommense gebied (zie bij F. truncorum) telde ik (niet gebiedsdekkend) 88 gewone satermiernesten, tegen 9 deuklippen (9 %). Dit lijkt op een forse achteruitgang ten opzichte van de gewone satermier. Bij EIS zijn uit dit gebied waarnemingen bekend uit 14 kilometerhokken. In 2011, 2012 en 2013 kon ik slechts in drie van deze hokken deuklippen vinden (niet gebiedsdekkend geinventariseerd!). Wel vond ik nog een nest in een kilometerhok waar ze nog niet eerder waren vastgesteld. De achteruitgang in dit gebied is gelegen in vernietiging van de habitats. Enerzijds door verbossing, anderzijds door rigoureuze ingrepen in de kwetsbare habitats, die tot doel hadden de oorspronkelijke natuur te herstellen (sic!). Plaggen is funest voor deze zeldzame soort.

Bronnen
Boer P 2000. Mieren van de Grafelijkheidsduinen. 21pp (te leen bij de bibliotheek van de NEV).
Boer P 2010. Mieren van de Benelux. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, 's Graveland. 184pp.
Hengel R van & Verduin W 2008. Formica truncorum op de Besthmenerberg 2008. Forum Formicidarum okt 2008: 5-8.
Mabelis AA 2011. Noodklok voor de stronkmier (Formica truncorum) op de Besthmenerberg. Entomologische Berichten 71: 130-135.

*) Er zijn twee soorten tasters: lange kaaktasters en korte labialtasters. Beide kunnen tegen de onderkant van de kop zijn gedrukt, waardoor ze over het hoofd kunnen worden gezien of als 'kort' kunnen worden beoordeeld.
**) Van Hengel & Verduin (2008) in 2008 en Mabelis (2011) in 2010 vonden hier geen deuklippen meer. De locatie waar ik ze in 2011 vond, was echter dezelfde als waar ik ze in 2005 had waargenomen. Ze zijn dus niet tussentijds verdwenen.

 
  Kop van deuklipsatermier. Foto: antweb.org.    
  deuklipnest    
  Nest van deuklipsatermier in vegetatie van veenmos, pijpestrootje en heide. Ommen, sept. 2011.    
       
 

De grootste populatie van Noordwest Europa
Zeer waarschijnlijk kwamen deuklippen in het uitgestrekt gebied voor waaruit zich later het huidige Waddengebied heeft ontwikkeld. Door het ontstaan van Waddeneilanden splitste de populatie zich op in verschillende deelpopulaties. Vrijwel overal wordt de optimale habitat steeds kleiner. De habitat in de noordkop van Noord-Holland is min of meer onaangetast gebleven. Opmerkelijk is overigens dat hier anderhalf keer zoveel deuklippen voorkomen dan gewone satermieren (Boer 2000), een unieke situatie die zich nergens anders voordoet.
Ook in deze Grafelijkheidsduinen vindt 'natuurherstel' plaats, onder andere door plaggen en begrazing met Schotse hooglanders. In hoeverre de deuklippen hiervan te leiden hebben is nog niet onderzocht. Een gebiedsdekkende inventarisatie is zeer gewenst.

Altijd juist gedetermineerd?
Het is denkbaar dat verschillende deuklipwaarnemingen betrekking hebben op gewone satermieren vanwege de overlap van de meeste kenmerken.Helaas zijn de meeste waarnemingen niet meer te controleren, daar bewijsmateriaal (de mieren zelf) grotendeels in de collecties ontbreken.

   

 

laatste update: 20.09.2013