DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DE STRONKMIER - Formica truncorum IN NEDERLAND
  STRONKMIER_KOP  


Van de bosmieren (genus Formica: 11 soorten in NL), is de stronkmier de zeldzaamste. Het recente verspreidingsgebied is beperkt tot de omgeving van Ommen (OV). Van verschillende vindplaatsen in Overijssel, Gelderland en Schoorl (NH) waar ze aanvankelijk voorkwamen, zijn geen waarnemingen meer bekend. Toch is de populatie in de omgeving van Ommen de grootste binnen een straal van 400 km.

Herkennen
Stronkmieren zijn rode bosmieren. Klik hier voor de verschillen tussen de verschillende rode bosmieren. Jonge exemplaren kunnen verward worden met zwartrugbosmieren, vanwege de karateristieke rode-bosmier-koptekening en de overvloedige beharing. De onderzijde van de kop is bij stronkmieren dicht behaard, bij zwartrugbosmieren verspreid behaard. Bovendien is het eerste segment van de voelspriet bij stronkmieren behaard, die van zwartrugbosmieren niet of zeer schaars.

Is de Besthmenerberg de belangrijkste plek waar stronkmieren voorkomen?
Mabelis (2011) veronderstelt, dat de Besthmenerberg bij Ommen het kerngebied is van de regionale metapopulatie, omdat hier in 1995 de meeste stronkmieren voorkwamen. Op grond van een inventarisatie in 2010 van dit 45 ha grote terrein concludeert Mabelis dat de stronkmier sterk achteruitgaat. Geldt die achteruitgang voor het hele bosgebied?

De grootte van de Nederlandse populatie
In 2011, 2012 en 2013 heb ik intensief gezocht naar stronkmierenesten in het Ommense bosgebied. Ik zocht op locaties waar ooit stronkmieren waren gevonden (waarnemingen die waren gemeld aan EIS) en bezocht ook andere delen van het Ommense en Hardenbergse bosgebied. Ik vond in totaal 60 nesten. Ik schat, gebruik makend van mijn ervaring met het zoeken naar bosmiernesten, de totale populatie stronkmieren in het gebied bezuiden de N 34 tussen Ommen en Hardenberg, oostelijk van de N 347, benoorden de lijn Lemele – Mariënberg en westelijk van de Vecht tussen Mariënberg en Hardenberg op 120 nesten. Ik ben dan aan de voorzichtige kant.
Ik ben het met Mabelis eens, dat achteruitgang waarschijnlijk is. Maar ik trek die conclusie op grond van de afwezigheid van stronkmieren op plaatsen waar ze ooit voorkwamen èn het dichtgroeien van grote delen van die terreinen. De natuurbeheerders hebben het bosgebied de laatste jaren meer open gemaakt. Een goede stap in de richting. Maar dit is op een dergelijke rigoureuze manier gedaan, dat de open gebiedjes de eerste vijf tot tien jaar ongeschikt zijn voor bosmieren. De Besthmenerberg, die in 1989 37 stronkmierkoepels telde, heeft ook een 'natuurherstelingreep' ondergaan. Het herstel, de situatie van 1989 (Soesbergen 1990), is nog lang niet terug en dus mag je verwachten dat de stronkmierpopulatie nog jaren nodig heeft om zich hier te herstellen.

Stronkmieren algemener in Ommen dan de andere grote bosmieren
Overigens is niet alleen de stronkmier in het Ommense gebied afgenomen. Na bestudering van oude gegevens, blijken ook de andere grote bosmieren achteruit te gaan. Opmerkelijk is echter dat van de echte bosmieren (Formica s.str.) de stronkmier de algemeenste is. De getelde verhouding (gegevens 2011, 2012 en 2013) is: Formica polyctena 25%, F. pratensis 16%, Formica polyctena x rufa 3%, Formica rufa 20% en F. truncorum 36% (n=171). De volgende Formica-soorten zijn algemener dan stronkmieren: de grauwzwarte renmier F. fusca, de gewone satermier F. exsecta (> 1,5 x algemener) en de bloedrode roofmier F. sanguinea (> 1,5 x algemener).

De habitat
Er zijn nogal wat artikelen gepubliceerd over de habitat van bosmieren. De statistische berekeningen in deze onderzoeken moeten aantonen dat er signifikante verschillen bestaan tussen de habitats van de verschillende bosmiersoorten (Gösswald 1989; Andoni 1993; Hofener et al. 1996; Mabelis & Chardon 2006; Punttila & Kilpelaïnen 2009). De habitat waar de stronkmier in voorkomt is in de omgeving van Ommen dezelfde als die van de behaarde bosmier F. rufa, de kale bosmier F. polyctena, de zwartrugbosmier F. pratensis, de gewone satermier F. exsecta en de bloedrode roofmier F. sanguinea. Logisch, want al deze soorten zijn voor hun vestigingskansen afhankelijk van de grauwzwarte renmier F. fusca! Dat is een soort die volop voorkomt in de omgeving waar ook bosmieren voorkomen. Al deze Formica-soorten hebben een voorkeur voor bosranden, lichte plekken in bossen en heidevelden met hier en daar wat bomen of struiken. Het instand houden of bevorderen van de stronkmierpopulatie (en dus de hele rode bosmierpopulatie) is: (1) het maaien van bospadbermen en bosranden, (2) het creëren van open plekken in dichte bossen, (3) het bevorderen van een afwisselend bomenbestand zodat er een gevarieerde ondergroei ontstaat met onder andere lichte plekken, (4) het hier-en-daar sparen van bomen in heidegebieden, (5) het markeren van bosmiernesten tijdens ingrijpende boswerkzaamheden, zodat deze worden ontzien. Let op: Op bospercelen waar alle bomen worden verwijderd, verdwijnen ook de bosmieren. Klik hier voor meer details.

Dichtsbijzijnde populaties
Tot voor kort werd aangenomen dat de dichtsbijzijnde populaties zich in de Ardennen bevonden en in Duitsland voorbij Bremen. Alle meer dan 200 km van Ommen. Nu is bekend geworden dat zich ook dichter bij de Nederland een populatie(tje) bevindt, namelijk in de buurt van Münster, dus op zo'n 100 km van Ommen.

 

 
  Stronkmier. Goed te herkennen aan beharing op koprand en 1e voelsprietlid. Foto: antweb.org.    
  stronkmiernest    
  Hoogste stronkmiernest van Nederland: 115cm in doorsnee en 68cm hoog. Ommen, aug. 2012.    
  stronkmierwerkster    
  Stronkmieren hebben vaak een geheel rode kop.    
  stronkmiernest in schoorl    
  Stronkmiernest in Schoorl, oktober 2010.    
stronkmiernest   zandstronkmiernest   wegbermstronkmiernest  
Dit stronkmiernest is een gangenstelsel in zand, Ommen sept. 2011.   Stronkmiernest in zand, zonder dood plantaardig nestmateriaal. Ommen, aug. 2012.   Stronkmiernest (pijl) in wegberm. Ommen, aug. 2012.  

Bronnen
Andoni, V. (1993) La composition des espèces, la repartition géographique et quelques donnée’s bioécologiques pour les fourmis du genre Formica (Hymenoptera – Formicidae) en Albanie. Biologia Gallo-Hellenica 20: 199-208.
Boer P 2011. Stronkmieren (Formica truncorum) in de kustduinen. Entomologische Berichten 71: 15-16.
Gösswald, K. (1989) Die Waldameise I, II. Aula Verlag,Wiesbaden.
Hofener, C., Seifert, B. & Kruger, T. (1996) A genetic model for disruptive selection on colony social organisation, reproduction, and ecotype distribution in wood ants inhabiting different woodland habitats. Insectes Sociaux 43: 359-373.
Mabelis AA 1987. Verspreiding en habitat van de stronkmier, Formica truncorum Fabricius (Hymenoptera: Formicidae). Entomologische Berichten 47: 129-136.
Mabelis AA 2011. Noodklok voor de stronkmier (Formica truncorum) op de Besthmenerberg. Entomologische Berichten 71: 130-135.
Mabelis AA & Chardon JP 2006. Survival of the trunk ant (Formica truncorum Fabricius, 1804; Hymenoptera: Formicidae) in a fragmented habitat. Myrmecological News 9: 1–11.
Punttila, P. & Kilpelaïnen, J. (2009) Distribution of mound-building ant species (Formica spp., Hymenoptera) in Finland: preliminary results of a national survey. Anneles Zoologici Fennici 46: 1-15.
Soesbergen M 1990. Inventarisatie van enkele zeldzame Formica-soorten in boswachterij Ommen. Natura 1990 (4): 106-107.

Peter Boer; laatste update: 13.03.2015