DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
PREDATOREN: DE GROENE SPECHT - Picus viridis
.
 

groenespecht

Groene specht. Foto: Harm Niesen

 

 

bosmiernestmetspechtenschade

Koepelnest van de rode bosmier Formica rufa, vol foerageergaten van groene specht(en). i 2008, Schoorl (NH).

 

 

winternestbosmier met groene spechtenschade

Het winternest van een rode bosmier Formica rufa bevindt zich onder het maaiveld. Er is geen sprake van nestmateriaal. Zichtbaar zijn de foerageergaten van groene specht(en). ii 2012, Schoorl (NH)

 

keutels groene specht

Groene spechtenkeutels. iv 2012, Bergen NH.

 

Analyse van groene spechtenkeutels met een totaal van 23189 prooien (eigen onderzoek)
koepelbouwende bosmieren:
formica rufa/polyctena 19,1% (max. 97/keutel)
formica pratensis 0,1%
formica sanguinea 0,4%
formica exsecta 0,8%
renmieren:
formica fusca 6,1%
formica rufibarbis-groep < 0,1 %
formica cunicularia 3,1%
houtmieren:
lasius fuliginosus 4,4%
grauwe mieren:
lasius niger 36,0% (max. 270/keutel)
lasius platythorax 4,5% (max. 300/keutel)
lasius psammophilus 0,5%
weidemieren:
lasius flavus 17,4% (max. 230/keutel)
gele parasietmieren:
lasius (chthonolasius) spec. 0,1%
steekmieren:
myrmica spec. < 0,1%
myrmica rubra 0,7%
myrmica ruginodis 0,5%
myrmica sabuleti 1,7%
myrmica scabrinodis 3,5%
myrmica specioides 0,3%
myrmica schencki 0,5%
overig:
tetramorium caespitum 0,2%
kevers < 0,1%
hooiwagens <0,1%

 

Analyse van keutels afkomstig uit de winter (nov-apr; 20761 prooien)

groenespechtenkeutels-winter

 

Analyse van keutels afkomstig uit de zomer (mei-spt; 1733 prooien)

zomer groene spechtenkeutels

 

Analyse van keutels in een bosmierrijkgebied,
duinen van Castricum en Bergen (NH)(5075 prooien).

keutelsbosmierrijkgebied

 

Analyse van keutels in een bosmierloosgebied, Goeree (ZH)
(13231 prooien).

groenespechtenkeutels-bosmierloosgebied

 


De groene specht is de belangrijkste, of misschien beter gezegd: de opvallendste predator van mieren.

Miereneter bij uitstek
Groene spechten leven bijna uitsluitend van mieren. Onderzoek naar de restanten in de uitwerpselen wijzen dat uit. Uit het lijstje van prooien valt het volgende op:
1) Rode bosmieren zijn favoriet. Logisch, het zijn flinke prooien en de nesten zijn gemakkelijk te localiseren. Het kost de groene specht dus weinig energie om ze te zoeken, terwijl het veel oplevert.
2) Rode bosmieren worden in de zomer nauwelijks gegeten. Ook logisch: de bosmieren zijn dan actief en spuiten met velen tegelijk mierenzuur naar de aanvaller.
3) Allerlei in bosmiernesten levende diertjes zoals regenwormen, kevers, pissebedden, duizendpoten en miljoenpoten worden hoogst zelden in de uitwerpselen teruggevonden (<0,1%).
4) In de winter worden naast rode bosmieren, mierensoorten gegeten die relatief volkrijke kolonies bezitten, relatief dicht aan het oppervlak overwinteren en ook gemakkelijk zijn te vinden: wegmieren, gele weidemieren en glanzende houtmieren. De laatste is zelfs in de winter geregeld bovengronds waar te nemen.
5) In een rode bosmierloze omgeving zijn het vooral wegmieren en gele weidemieren die het menu uitmaken.
6) Groene spechten hebben vaste plaatsen waar ze 'roesten'. Op dergelijke plekken kunnen geregeld keutels worden verzameld. Daaruit blijkt dat in één keutel meestal één of twee soorten (maximaal vier) mieren zitten, maar dat tussen de keutels de verschillen groter zijn. Kennelijk eet een groene specht veel mieren tegelijk uit één nest, maar specialiseert deze zich niet tot één soort. Hij vliegt van het ene mierennest naar een willekeurig nest van een andere of dezelfde soort.
7) Kleine mieren zoals de zwarte zaadmier worden ook gegeten, terwijl andere kleine mierensoorten nooit in het menu voorkomen. Ook dit is logisch: zwarte zaadmierkolonies zijn zeer volkrijk, dus kunnen vele kleine prooien gemakkelijk worden verzameld.

Ze onthouden de bosmiernestlocaties
Groene spechten zijn standvogels. Bepaalde rode bosmiernesten worden zeer frequent bezocht. Als deze door sneeuw zijn bedekt, weten de spechten het nest toch te vinden en graven door de sneeuw heen naar de plaats in het nest waar ze de bosmieren kunnen bemachtigen.

Het vinden van mierennesten
Groene spechten kunnen op één of andere manier nesten van mieren vinden. Als een groene specht in bijvoorbeeld een tuin bij een huis landt waar deze nooit eerder is geweest, hipt hij wat rond en begint dan in de grond te pikken. Als je vervolgens op die plek gaat kijken, blijkt dat hij een mierennest heeft gevonden. Een mierennest dat voor het menselijk oog verborgen blijft. Neemt de groene specht aan de structuur van de bodem en/of plantengroei waar dat er een mierennest moet zijn, of ziet hij ultravioletlicht van mierenzuur (net als torenvalken het u.v. van muizenurine kunnen waarnemen)? Dat laatste is alleen waarschijnlijk in de periode dat mieren bovengronds actief zijn. Groene spechten vinden echter ook in de winter mierennesten, waarvan verwacht mag worden dat er geen u.v.beeld voorhanden is.
Toch is me een bijzonder fenomeen opgevallen ten aanzien van het winterfoerageergedrag. In bepaalde bosmiernesten werd niet gefoerageerd, terwijl op enkele meters afstand daarvan dat wel werd gedaan. Later ontdekte ik dat dit de winterverblijven van de rode bosmieren zijn. Hoe weet de groene specht nu dat in het ene rode bosmiernest wel wat te halen valt en in het andere niet? Hoe weten ze dat er, in het laatste geval, die bosmieren ergens anders in de grond zitten en zo ja, waar? Of neemt de groene specht (al of niet dichtgeslibde) gaatjes in de grond waar? Wat hier voor pleit is dat onlangs is ontdekt dat groene spechten ook spinnen eet, namelijk de mijnspin Atypus affinis een spin die een potlooddun gaatje in de bodem maakt en daarin, in een webje huist (Smits 2011).

Het vinden van rode bosmiernesten
In de winter van 1998/9 hadden groene spechten zichtbaar gefoerageerd op 79% van de rode bosmiernesten (n=34) in een km2-hok in de duinen van Bergen (NH), in de winter van 2008/9 (n=77) was dat 62%.
In de winter van 2008/9 is nagegaan of er factoren zijn die bepalen of bepaalde nesten meer dan andere worden bezocht door groene spechten. Uit de resultaten van dit nog ongepububliceerde onderzoek bleek dat kleine rode bosmiernesten weinig minder in trek zijn dan grootte. Meer invloed had de zichtbaarheid van het nest (voor het menselijk oog). Op nesten die qua kleur niet opvielen, werd duidelijk minder gefoerageerd dan op nesten die qua kleur duidelijk contrasteren met hun omgeving. Als de nesten volledig door begroeiing of strooisel bedekt waren, was het effect nog duidelijker: minder bezoeken dan op onbegroeide/onbedekte nesten.

Groene spechten en vorst
Groene spechten hebben het moeilijk als strenge vorst het mierennest verhard. Als het eerst heeft gesneeuwd is het nest nauwelijks of niet bevroren en graaft de specht zich wel door de sneeuw heen. Maar als het eerst vriest en het nest diepgaand is verhard, kan de specht geen mieren meer begaan.

Groene spechten in gebieden die arm zijn aan niet-bosmieren, maar rijk aan bosmieren
In een rode bosmierrijke omgeving, waar de mieren genoemd onder 4) in lage dichtheden voorkomen, bijvoorbeeld in nieuwe natuurgebieden waar rode bosmieren zijn uitgezet, trekken de groene spechten in de zomer weg. Vermoedelijk gaat het hier om jonge groene spechten, die nog niet aan een bepaald gebied gebonden zijn.

De invloed van de predator op de predator
Sinds in gebieden met een flinke groene spechtenpopulatie de havik is verschenen is de groene spechtenpopulatie flink ingezakt (o.a. Boer 2004). Nagegaan is of groene spechten een foerageergedrag vertonen, waarbij minder risico wordt gelopen om door een havik te worden geslagen. Het bleek dat rode bosmiernesten die vanuit de lucht goed zichtbaar zijn en nauwelijks door takken lager dan 1 m worden overdekt, minder worden bezocht dan nesten die vanuit de lucht niet goed zichtbaar zijn en door takken lager dan 1 m worden overdekt. In het laatste geval is het moeilijk voor havikken om groene spechten op het nest te slaan. Indien beide factoren afzonderlijk worden bekeken, is er nauwelijks sprake van een effect (eigen onderzoek, nog niet gepubliceerd).

Ander keutelonderzoek
Het oudste groene spechtenkeutelonderzoek is van Wasmann (1905). Hij onderzocht ze in 1898-99 in de buurt van Roermond en verzamelde ze van de nesten van de bosmieren Formica rufa, F. sanguinea, F. pratensis en (1x) F. rufibarbis. In de keutels kwamen naast deze mieren ook voor de wegmier Lasius niger (en/of de humusmier L. platythorax), de gele weidemier L. flavus, de glanzende houtmier L. fuliginosus en de gewone steekmier Myrmica rubra. Er werden geen andere diertjes dan mieren in de keutels gevonden.
De Bruyn et al (1972)* analyseerden 6428 groene spechtenkeutels afkomstig uit de 3,4 ha bosmierrijke duinen van Meijendel (ZH). Daarin zaten 584.914 mieren. In de winter (november - april) bestonden de keutels voor 60% uit bosmieren, voor 14% uit glanzende houtmieren Lasius fuliginosus en voor 26% uit andere mieren. In de zomer (mei - oktober) was het percentage glanzende houtmieren 1%, 25% bosmieren en 74% andere mieren. In vorstperioden nam het aandeel glanzende houtmieren toe. Mijn verklaring daarvoor is dat de ingang van een glanzende houtmierennest in de winter toegankelijker is vanwege de losse structuur. Dus is er eenvoudig een opening in het nest te hakken. Dat het aandeel in de rest van de winter lager is, kan verklaard worden doordat het meer energie kost en minder oplevert.
Elton (1975) vond dat het menu van de groene specht op de Hoge Veluwe in de winter voor 55 % uit rode bosmieren bestond, tegen 10 % in de zomer. In de zomer vond hij slecht twee keer een spechtenkeutel op 1725 bosmiernestbezoeken. Hij noemde ook 'zeer grote hoeveelheden' zwarte zaadmieren Tetramorium caespitum als voedsel.
Kolsters et al (2014) onderzochten groene spechtenkeutels in Noord Brabant. Zij determineerden 12.534 diertjes. Ondanks de tientallen rode bosmiernesten in de omgeving, vonden zij in de winter in het bos slechts 19 % rode bosmieren terug in de keutels. In hun onderzoek was de humusmier Lasius platythorax het meest dominant. In cultuurland was dat de wegmier Lasius niger.

Maagonderzoek
In een verslag van de 67e wintervergadering van de Nederlandse Entomologische Vereniging (1934) wordt melding gemaakt van de maaginhoud van een groene specht die op 18 februari 1932 te Abbebroek (ZH) was geschoten (800-900 werksters, enige koninginnen en een paar honderd larven van de gewone steekmier Myrmica rubra en 40-60 werksters van de wegmier Lasius niger) en van een groene specht die eind november 1933 tegen een serreraam dood was gevlogen in Den Dolder (UT) (honderden werksters, koninginnen, larven en enkele mannetjes van de moerasmier Myrmica scabrinodis).

Andere prooien dan mieren
Uit de nu gepresenteerde keutelanalyses blijkt dat andere prooien dan mieren tot de uitzonderingen behoren. Toch duiken zo nu en dan opmerkelijke andere prooien op, zoals die van de mijnspinnen Atypus affinis, die op de Strabrechts heide (NB) geregeld door groene spechten worden gegeten (Smits 2011). In het verslag van de 67e wintervergadering van de Entomologisceh Vereniging (1934) wordt zelfs gesproken van schade die groene spechten aanrichten aan rieten daken. Er werd niet onderzocht naar welk voedsel de groene specht op zoek was (graafwespen werden als mogelijkheid genopemd), maar hier kunnen heel goed mierennesten in de dakbedekking hebben gezeten.
Kolsters et al (2014) vonden in de winter in het bos opvallend veel wantsen Kleidocerys resedae in groene spechtenkeutels, maar liefst 31 % van alle individuele beestjes (n=3520)!

Bronnen
Boer P 2004. Mieren van Meijendel. Holland’s Duinen 44: 3-22.
Bruyn GJ de, Goosen-De Roo L, Hubregtse-van den Berg AI and Feijen HR 1972. Predation of ants by woodpeckers. Ekologia Polska 20, no. 9: 83-91.
Elton ETG 1975. Spechten en rode bosmieren. Vogeljaar 23 (2): 55-58.
Klosters J, Wouters P & Veer W de 2014. Voedsel van de Groene Specht in Noord-Brabant. Limosa 87: 74-81.
Smits J 2011. Het raadsel van de mijnspinkousjes (Araneae: Atypus affinis). Entomologische Berichten 71: 154-157.
Wasmann E 1905. Zur Myrmecophagie des Gruenspechts. Tijdschift voor Entomolgie 48: 214-220.

Met dank aan R. van Hengel, M. Annema en mevr. Aukema-Davids voor het verzamelen van groene spechtenkeutels van resp. de Utrechtse Heuvelrug, Goeree en Renkum.

*) Het onderzoek van De Bruyn et al (1972) roept nog al wat vraagtekens op:
1) Nergens wordt een schatting gegeven van het aantal groene spechten dat in het onderzoeksgebied leefde. Afgaande op hun veronderstelling dat een groene specht een winterteritorium heeft van 3,1 ha (een straal van 100 meter rond een bosmierennest), zou inhouden dat in het onderzoeksgebied ruimte is voor één territorium. Er is sprake van 30 bosmiernesten. De meeste groene spechten (als er meer zijn geweest) komen dus ook buiten het onderzoeksgebied.
2) Het is mij gebleken dat het vaak niet mogelijk is om gave spechtenkeutels te verzamelen. De onderzoekers bepaalden het gemiddelde aantal mieren van alle verzamelde keutels. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat al die keutels ongeschonden zijn verzameld. Nergens wordt melding gemaakt van het maximum aantal dat zij (per soort) in een keutel vonden.
3) De onderzoekers beweren precies te kunnen bepalen hoeveel bosmieren per nest door groene spechten worden gegeten, namelijk gemiddeld 5348 per winter (november t/m april), omdat de keutels voor het overgrote deel gevonden worden in een straal van 10 meter rond het bosmierennest. De onderzoekers kwamen tot die conclusie door zand van nest A te kleuren en vervolgens spechtenkeutels te zoeken waar het gekleurde zand in was terug te vinden. Mijn eigen observaties van het groene spechtengedrag maakt een dergelijke waarneming wel erg onwaarschijnlijk. Groene spechten vliegen op een dag gemakkelijk enkele honderden meters, terwijl de meeste keutels gevonden worden op de nesten zelf (binnen 10 meter dus) en bij zogenaamde roestbomen, die zich meestal ergens tussen wat nesten in bevindt.
4) De onderzoekers veronderstellen dat spechten de nesten van andere mieren alleen kunnen vinden als deze bovengronds aktief zijn, dus in de zomer. Deze veronderstelling is niet houdbaar in de winter, omdat de spechten de nesten van deze mieren ook in de winter weten te vinden.
5) In dit onderzoek valt op dat een algemeen in de duinen voorkomende soort, de grauwzwarte renmier Formica fusca, die ik frequent in de keutels aantrof, niet in het onderzoek van De Bruyn et al worden genoemd. Mogelijk dat een deel van de door hen als glanzende houtmieren gedetermineerde mieren, grauwe renmieren zijn geweest. In vond in ieder geval in de duinen van Meijendel wel grauwzwarte renmieren in groene spechtenkeutels.
6) De Bruyn et al schatten dat gemiddeld 5% van de bosmieren uit een mierenhoop door groene spechten worden gegeten (zie punt 3). Zij veronderstellen dat de schade die groene spechten aan de nesten veroorzaken, erger is. Zo erg dat bosmieren hun nest verhuizen, hoewel nergens iets wordt geschreven over de kwantiteit van de schade aan een bosmiernest. In hun onderzoek verhuisden 8 % van de bosmiernesten na de winter. Dit percentage is ongeveer even groot als het verhuispercentage in mijn onderzoek (11%), waar een dergelijke relatie niet is aangetoond. In mijn onderzoek blijken zelfs zwaar beschadigde nesten na de winter weer snel door de werksters te worden hersteld.

 
Peter Boer, laatste update: 19.12.2014