DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
KAPVLAKTEN
  kapvlakte
Kleine kapvlakten, omgeven door dennenbos, groeien snel dicht. Slechts hier en daar bevindt zich een mierennestje in een stobbe. ix 2013, Hardenberg (OV).
 

Er zijn soorten kapvlakten, die verschillend zijn vanwege het voormalige bos, de mate waarin gekapt is, de structuur van de bodem, de grote van de kapvlakte en de geografische positie.

Grootschalig naaldbos kappen en stobben verwijderen
Een dicht naaldbos is arm aan mierensoorten (en andere insecten), hoewel de mierendichtheid hoog kan zijn. Nadat de bomen zijn omgezaagd en de boomstammen verwijderd, blijven er takken en stobben achter. Indien ook de laatste worden verwijderd, ontstaat een kale vlakte. Wat mieren betreft duurt het jaren voordat de eersten kans zien om een nest op te bouwen. Dat zijn de mieren die een onafhankelijke koloniestichting hebben (zonder de noodzakelijke tussenkomst van andere mierensoorten). Overal in Nederland zijn dat wegmieren Lasius niger en zwarte zaadmieren Tetramorium caespitum, twee soorten die overal waar de mens in de aarde wroet, kans zien om zich succesvol te vestigen. Deze pioniers graven gangen in de bodem (drainage, luchtig maken van de bodem, minerale bestanddelen naar de oppervlakte brengen) en slepen met plantenzaden, waardoor ze een belangrijke bijdrage gaan leveren aan de opbouw van de vegetatie.
Als het zand door de wind in beweging wordt gehouden (stuifzanden), zal de wegmier zich handhaven, de zwarte zaadmier zal vrijwel zeker verdwijnen.
Als het aandeel onbegroeid zand beperkt wordt en struikhei en wat grassen opkomen zullen de wegmier en de zwarte zaadmier hun hegomonie verliezen. We kunnen soorten zien verschijnen als buntgrasmier Lasius psammophilus, kokersteekmier Myrmica schencki, zandsteekmier M. sabuleti, duinsteekmier M. specioides, grauwzwarte renmier Formica fusca en bruine renmier F. cunicularia. In de duinen verdwijnt de wegmier op den duur vrijwel altijd.
Een kale vlakte wil niet zeggen dat er geen voedingsstoffen meer in de grond zitten. De naaldbomen hebben hun leven lang voor humus gezorgd, wat deels in de bodem is opgeslagen (bij stuifzanden verwaait dat voor een deel). Hierop kan zich een vegetatie ontwikkelen van pijpenstrootje. De pollen van deze plant bieden diverse planten een ideale nestelgelegenheid. In een vochtige omgeving zijn het vooral humusmieren Lasius platythorax, gewone steekmieren M. rubra, bossteekmieren M. ruginodis en moerassteekmieren M. scabrinodis die zich in de pollen vestigen. Vooral begraasde, of dode en met mossen en korstmossen begroeide pollen zijn in trek bij de mieren. Is het flink nat dan kunnen we ook de zeggensteekmier M. gallienii en veenrenmier Formica picea verwachten.
In wat oudere, drogere vegetaties, waar het pijpenstrootje niet alleen de dienst uitmaakt, kunnen we in de pollen ook bosslankmieren Temnothorax nylanderi vinden. Ook mieren die voor hun vestiging een andere mierensoort nodig hebben (afhankelijke koloniestichting) zien we verschijnen, zoals de bloedrode roofmier Formica sanguinea en de schaduwmier Lasius umbratus. Rode bosmieren Formica rufa, F. polyctena en F. pratensis, kunnen zich vestigen als in het aangrenzende bos polygyne rode bosmieren voorkomen. Door afsplitsing van bestaande nesten kunnen zij de kapvlakten gaan bevolken. Gewoonlijk vestigen rode bosmieren zich pas als er een flinke populatie grauwzwarte renmieren aanwezig is. Op kapvalkten zonder stobben, duurt het veel langer voordat rode bosmieren zich hier vestigen (meer dan elf jaar) dan op kapvlakten waar stobben in de grond zijn achter gebleven (ongeveer acht jaar).

Kappen en stobben niet verwijderen
Stobben zijn geliefde plaatsen voor mieren. Ze worden erg snel, al een jaar na de kap, bewoond door grauwzwarte renmieren Formica fusca en humusmieren Lasius platythorax. Zij spelen vervolgens een belangrijke rol bij de compostering van die boomstronken. Voordat de stronken zijn vergaan, vinden we ook allerlei andere ongewervelden en zelfs kleine watersalamanders, in die stobben. Vanwege de aanwezigheid van grauwzwarte renmieren zijn ook rode bosmieren in staat om zich hier te vestigen. Ook behaarde slankmieren Leptothorax acervorum zijn vaak in de stobben te vinden.
Ook na een bosbrand zien we dezelfde mierensoorten als pioniers verschijnen in het dode hout.

Klein schalige houtkap
Kleine kapvlakten, omgeven door dennenbos, groeien snel dicht. Dat gaat zo snel, dat er nauwelijks tijd is voor de ontwikkeling van een kwalitatief goede bodemfauna. Bovendien wordt de ingang gezette ontwikkeling daarvan in de kiem gesmoord, doordat de opkomende verbossing, verstruiking en/of verruiging, het licht wegneemt dat voor de ontwikkeling van een gewenste bodemfauna een voorwaarde is.

Langzame omvorming
Uit het oogpunt van natuurbeheer is het beter een dennenbos geleidelijk om te vormen. Dat kan door (1) niets doen: de meeste naaldbomen sterven, vallen om en creëren daardoor open plekken waar ook zaden van andere bomen ontkiemen; opslag van naaldbomen op een dergelijke plek moeten worden weggenomen en (2) geregeld hier en daar open plekken te creëren. Het voordeel van deze strategieën is dat ongewenste soorten als krentenboompje en Amerikaanse vogelkers zich minder explosief ontwikkelen dan op grote kapvlakten, dat er geen massale vergrassing optreedt, dat er een gevarieerd bos ontstaat en dat dit de biodiversiteit sterk verhoogt.

Voor de ontwikkeling van bos, naar kapvlakte, naar droge heide: zie de websitepagina droge heide.


  kapvlakte(2)
Recente, kleine kapvlakten waarvan de stobben zijn verwijderd. De snelheid waarmee de kapvlakte weer dichtgroeit is gelijk aan vlakten waarbij de stobben in de grond zijn achtergebleven. Het is een mierenwoestijn. ix 2013, Hardenberg (OV).
 
  stobben
Van een kapvlakte verwijderde stobben, opgestapeld aan een bosrand, worden niet door mieren bewoond. ix 2013, Hardenberg (OV).
 
 

brandkap
Dennenboskapvlakte vier jaar na bosbrand. De beheerder hoopte dat er zich een stuifduin zou ontwikkelen. Sterke begroeiing van buntgras, zandblauwtje, mos en duinriet. viii 2013, Schoorl (NH). Zeven mierensoorten hebben zich er gevestigd.

 

 

 

Peter Boer; laatste update: 21.09.2013