DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DE WEGMIER - Lasius niger, de algemeenste
  wegmier_kop
Wegmier. Goed te herkennen aan de dichte, korte beharing op het kopschild (tussen voelsprieten en kaken). Foto: antweb.org.
 


De tegels verzakken, langs de rand van het aanrecht marcheren ze, de bloempot zit helemaal vol, in de serre vliegen er honderden, de rozen zitten er vol mee en al dat zand op mijn terras!
In 19 van de 20 gevallen gaat het om wegmieren Lasius niger. Zonder twijfel de algemeenste mier in Nederland. Overal waar mensen in de aarde wroeten komen ze voor. Dus tuinen, straten, paden, uiterwaarden, wegbermen, dijken, sportvelden, rivierstranden, oevers, parken, weilanden, akkerranden, parkeerplaatsen, speeltuinen, campings, platte daken, begraafplaatsen, industrieterreinen, maar ook natuurontwikkelingsprojecten, geplagde heidevelden, begraasde heidevelden en ontgronde natuurgebieden.

Van oorsprong stuifzandmieren
De vraag die al snel bovenkomt luidt dan: Waar leefden wegmieren voordat de mens de grond ging omwoelen? Het antwoord moet gezocht worden in gebieden waar de bodem van nature in beweging is: stuifzandgebieden. De wegmier is de enige mierensoort in ons land die er geen punt van maakt als het nest regelmatig (!) onderstuift. Dit is goed te zien in de Loonse- en Drunense Duinen of het Kootwijkerzand en ook in de duinen van de zeereep, de eerste duinenrij. Zodra de invloed van de verstuiving afneemt, de plantengroei toeneemt, neemt de wegmierdichtheid af. In de kustduinen is dat al heel snel en kunnen we een paar honderd meter van de zeeduinen al geen wegmier meer vinden.

Een opportunist
In feite is de wegmier dus een pioniersoort. In de voedselarme pionieromstandigheden zijn ze opportunistisch. Ze moeten wel. Ze eten dan ook alles wat eetbaat is. Dat doen ze dus ook in de buurt van mensen. Verkennermieren worden er constant op uit gestuurd om nieuwe, rendabele voedselbronnen te ontdekken. De plek die het meest oplevert, wordt door hen massaal bezocht: de vuilnisbak, de composthoop, de luizen op de rozen, de voorraadkastjes in huis...

Hoe herken je een wegmier?
Wegmieren behoren tot de schubmieren. Dat wil zeggen dat er tussen het achterlijf en het borststuk een schubachtig lichaamsdeeltje zit. De groep schubmieren waar de wegmier toe behoort de Lasiini, zijn de minst slanken: relatief brede kop, relatief breed borststuk en relatief korte poten. Het geslacht Lasius, is weer onderverdeeld in subgroepen, subgenera. Het subgenus Lasius s.str. bestaat uit niet-gele en niet-glanzende, donkere mieren. Binnen deze groep heb je mieren met behaarde schenen en zonder behaarde schenen. Van de mieren met behaarde schenen is de wegmier te herkennen aan een dichte en kort behaard kopschild (zie foto). Ze zijn zelfs de enige Lasius-soort met een dergelijke snor. Wel een lastig kenmerk, want met een loep van 20x is die snor zelfs met een goede belichting nauwelijks te zien.
Wegmieren lijken het meest op humusmieren. De laatste hebben hun nest in (dood-)plantaardig materiaal gebouwd, terwijl wegmieren hun nest gewoonlijk in het zand hebben uitgegraven.

Het nest
Je kunt eenvoudig een kijkje nemen in het nest van wegmieren. Waar komt zand tussen de tegels/straatstenen omhoog? Til een van de stenen op. Onmiddellijk gaan de werkstermieren hun eieren, larven en poppen verslepen naar een veilige plaats dieper in de grond. De eieren zijn zo klein dat je die waarschijnlijk niet ziet. De larven heb je verschillende stadia van. In de poppen vindt de omvorming plaats van larf naar volwassen mier. In de grootste cocons bevinden zich de prinsessen (dat kunnen koninginnen worden), in de kleinere cocons de mannetjes of de werksters.

Vliegende mieren
De gevleugelde wegmieren verlaten grotendeels massaal het nest. Vaak gelijktijdig met die van vele andere nesten in de buurt. Gewoonlijk is dat aan het einde van de middag, voorafgaand aan zwoele avonden, vaak drukkend weer, soms met naderend onweer, meestal in de periode eind juli tot eind augustus. De werksters jagen de gevleugelden weg. In de lucht maken de mannetjes en de prinsessen contact en paren dan (foto), vaak op de grond. De bevruchte prinses werpt haar vleugels af en gaat op zoek naar een geschikte nestplaats. Vaak doet ze dat samen met enkele andere prinsessen, waarvan uiteindelijk een overblijft: de koningin. Zij heeft de anderen omgebracht. Ze produceert in haar leven duizenden eieren, waaruit zich vooral werksters ontwikkelen.

Leeftijd
In tegenstelling tot bijvoorbeeld wespen en hommels, gaan de werksters aan het eind van het seizoen niet dood, maar overwinteren in het nest. Ze worden twee tot drie jaar oud, terwijl een koningin wel tien jaar oud kan worden. Mannetjes sterven nadat ze een prinses bevrucht hebben (als ze die kans hebben gehad!) omdat ze niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen, noch om zich te verdedigen tegen allerlei insecten en vogels, die ze graag eten.

De concurrenten, vijanden en commensalen
De grootste concurrenten rond het huis zijn de zwarte zaadmier, de gele weidemier en in wat mindere mate de gewone steekmier.
Dieren die wegmierwerksters eten zijn groene spechten en padden.
Diertjes die je geregeld in wegmiernesten tegenkomt zijn de mierpissebed (blind en wit) en de mierenspringstaart (ook blind en wit).

annualcyclelasiusniger

Bovengrondse activiteit van de wegmier tussen 11 maart 2010 en 10 maart 2011 in de Kaaistoep, Tilburg (NB); onderzoek van Ron Felix, Henk Spijkers, Paul van Wielink en Peter Boer. De aantallen betreffen aantal gevangen werksters in potvallen per week. Op de data die horen bij de rode staven werden gevleugelde geslachtsdieren gevangen (met behulp van licht, 's nachts).

 

 
     
  wegmieren-gevleugelden
De werksters jagen de gevleugelde mieren het nest uit..
   
     
 
De paring tussen een wegmier prinses en de veel kleinere wegmierprins. Foto: Wouter Bosgra
   
     
  Natuurlijke habitat van Lasius niger: stuifzand, in dit geval in de zeereep. Bergen (NH) 2012.    
     

 

laatste update: 23.05.2013