DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DRENTELMIEREN Stenamma debile en S. westwoodii
 

x
Werkster van de gewone drentelmier Stenamma debile.

Let op de buisvormige voorste knoop en de kleine ogen. Foto: antweb.org

xxx

De kop van man van de gewone drentelmier S. debile. Foto: antweb.org

xxxx xxxxxx

Kop van de gewone drentelmier S. debile (links) en de Engelse drentelmier S. westwoodii (rechts).
Foto's antweb.org
De kop van S. debile is meestal donkerder, die van S. westwoodii lichter.
Belangrijkste verschil zit hem in het gleufje tussen de lobben die over de aanhechting
van de antennen zit. Bij
S. debile is die niet versmald, bij S. westwoodii wel.

 


Herkennen
Drentelmieren kunnen van andere Nederlandse mierensoorten worden onderscheiden door de piepkleine ogen én de buisvormig gesteelde voorste knoop waarmee het scharniert met het achterborststuk. Bovendien zijn ze slank ‘teer gebouwd’ en korter dan 4 mm. Ook de mannetjes en koninginnen hebben een buisvormig gesteelde eerste knoop, maar hun ogen zijn daarentegen groot.

Habitat
Het nest bevindt zich in dood hout. Meestal in vermolm dood hout. Vaak zijn dat met mos begroeide stronken of stobben. In oude bossen ontbreekt deze soort nergens. In donkere bossen, waar de zon slechts weinig op de bodem komt, is het vaak de enige mierensoort. Ook in parken en tuinen. In boomloze vegetatie met struiken of met een ruigtebegroeiing zijn ze ook wel gevonden.

xx

Gedrag
De kleine oogjes verraden het al: overdag is deze mier niet actief boven de grond. Het voedsel bestaat uit kleine geleedpotigen.

Voorkomen
Drentelmieren worden gemakkelijk over het hoofd gezien. Dat komt door de verborgen levenswijze en de manier van zoeken door de waarnemers. Inmiddels zijn drentelmieren vrijwel overal op Nederlandse zandgronden, het rivierengebied en het Limburgse heuvelland aangetroffen.

Twee soorten
Het overgrote deel van de waarnemingen betreft de gewone drentelmier Stenamma debile. De Engelse drentelmier S. westwoodii is één van de zeldzaamste mierensoorten van Europa. Ze is alleen bekend uit Engeland, België en Nederland. De meeste waarnemingen van deze soort komen uit Nederland en betreffen vooral gevleugelde exemplaren die nachts, in het najaar, ‘op licht’, zijn gevangen. Over deze soort is weinig bekend.
Het verschil tussen de werksters en koninginnen van beide soorten is minimaal. De mannetjes zijn gemakkelijk uit elkaar te houden. Het mannetje van S. debile heeft 2-3 tanden op elke kaak, S. westwoodii 5-6.

Bronnen
Boer P 2015. Mieren van de Benelux. 2e druk. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, 's Graveland.

Let op
Op www.antweb.org wordt een hele reeks van landen opgegeven waar S. westwoodii zou voorkomen. Dit berust waarschijnlijk op oude waarnemingen, uit een tijd dat S. debile nog als S. westwoodii werd gezien.

   
 
 
 
   

 

Peter Boer; laatste update: 14.11.2016