DE NEDERLANDSE MIEREN nlmieren.nl
HOME- SITEMAP
DE ZWARTE ZAADMIER - Tetramorium caespitum, de algemene onbekende
  zaadmier_kop  

 

De zwarte zaadmier Tetramorium caespitum is een van de algemeenste mierensoorten van Nederland. ‘Algemeen’ betekent succesvol. Waar hebben ze dat aan te danken?

Slechts een koningin
Succesvolle mieren zijn dikwijls polygyn (veel koninginnen). Dat is handig, want dan kan een kolonie opgesplitst worden, elk met een deel van de koninginnen. Voor kolonisatie heb je dus maar één volkje nodig. Kolonisatie verloopt op deze manier wel vrij traag. Bovendien hebben polygyne soorten vaak geen of een beperkte zwermvlucht. Dat is dus een nadeel. Zaadmieren zijn monogyn en hebben wel een zwermvlucht. Een groot gebied kan in theorie dus door vele koninginnen tegelijk bezet worden. In de praktijk vindt dit plaats in mierloze gebieden zoals nieuwe winkelcentra, megaparkeerplaatsen en plaatsen waar de natuur op de schop is gegaan om nieuwe natuur te creëren.

De grootste concurrent van de wegmier
Ditzelfde voordeel hebben wegmieren Lasius niger ook! Het is dus niet voor niets dat deze twee elkaars grootste concurrenten zijn. In 2000 viel mij dat voor het eerst op in Meijendel (duingebied te Wassenaar). In een bestrate duinweg bleken wegmieren  kilometers lang dominant. Maar op een deel van die weg, over een afstand van circa 500 meter, kwamen uitsluitend zaadmieren voor. In de duinen van Bergen NH had ik al eens heftige territoriale gevechten gezien tussen weg- en zaadmieren.
In 1996 kwamen op een pleintje omgeven door garageboxen in Alkmaar, uitsluitend wegmieren voor. Vanaf 2005 kon ik er geen wegmier meer vinden. Het was nu een zaadmierenpleintje geworden. Toen ik in 1979 mijn huidige huis met tuin betrok, waren er geen zaadmieren. Twintig jaar later zag ik de eerste zaadmierwerkster lopen, op een schaduwrijke plek. Niet bepaald waar je zaadmieren mag verwachten, want die houden er van dat de zon boven hun nest de grond verwarmd. Vanaf die schaduwrijke plaats breidden de zaadmieren zich uit. Het leek er zo waar op dat er nieuwe nesten ontstonden door afsplitsing. In 2012 komen zaadmieren rondom mijn hele huis voor. Op elke plek waar ze kwamen, ontstond een soort olievlek, steeds meer nesten. Een type uitbreiding zoals je alleen ziet bij polygyne mieren. De wegmieren zijn onder de straatstenen rond mijn huis grotendeels verdrongen. Alleen in de tuin, de niet-bestrate delen, weten ze zich nog te handhaven.

Wat verklaart de olievlekkolonisatie?
Dat de zwarte zaadmier monogyn is lijkt me juist. De agressie van de zaadmiervolkjes onderling wijst daar ook op. Monogyne soorten blijken namelijk sterk territoriaal, in tegenstelling tot polygyne soorten. Vooral vroeg in het voorjaar kun je zien dat werksters uit aangrenzende nesten elkaar te lijf gaan. Dus uitbreiding door afsplitsing lijkt me uitgesloten.
Een denkbare strategie zou kunnen zijn dat een wijfje in het nest wordt bevrucht, vervolgens wordt weggejaagd, waarna ze vlak er naast een nieuwe kolonie sticht in een wegmier-vrije-zone. Dan is er natuurlijk nog de mogelijkheid dat pas bevruchte zaadmierwijfjes, waar die dan ook vandaan komen, meer kans maken om een nieuwe kolonie te stichten in de wegmier-vrije-zone naast een bestaand zaadmierennest.

Of zaadmieren of wegmieren
Vele spiksplinternieuwe wijken, winkelcentra, parkeerplaatsen en dergelijke, worden gedomineerd door wegmieren of zaadmieren. Ik denk dat hier het mechanisme ‘wie het eerst komt het eerst maalt’ een rol speelt. De zwermvluchten van zaadmieren zijn eerder (in NL van midden juni tot midden juli) dan die van wegmieren (in NL vooral vanaf midden juli tot eind augustus).  Bepalend is wel of er in de buurt van die voor mieren nog onbewoonde eilanden, voldoende zaadmieren aan een zwermvlucht deelnemen. In afgegraven gebied die als nieuwe natuur ingericht worden, zien we vaak dat beide soorten delen van die nieuwe natuur in bezit nemen. Het zou interessant zijn om na te gaan hoe de concurrentie zich dan ontwikkelt.

Waaruit bestaat hun succes?
Zaadmieren zijn uitgesproken omnivoor. Ze jagen op allerlei minigeleedpotige, eten aas, melken wortelluizen en vermalen met hun krachtige kaken zaden. Doordat ze vrijwel alles eten, kunnen ze ook op vele plaatsen leven. Mits er maar (enkele uren) zon op hun nestplek valt. En toch zijn sommige leefomstandigheden voor mij een raadsel. Waar leven de zaadmieren van die hun nest hebben tussen de stoeptegels van het stationsperron waar geen plantje wil groeien en waar alles wat eetbaar zou kunnen zijn wegwaait?
De succesvolle levenswijze verklaart nog niet volledig hun succes, want voor wegmieren geldt nagenoeg hetzelfde. Dat zaadmieren hun grootste concurrenten, de wegmier en in schrale duingraslandvegetaties de buntgrasmier L. psammophilus succesvol kunnen weerstaan, komt waarschijnlijk door hun manier van te weerstellen. Zaadmieren leven in grote dichtheden in hun kolonie, in ieder geval duidelijk groter dan de Lasius-soorten. Lasius-belagers vinden een compact leger voor zich. Zaadmieren zijn daardoor altijd in de meerderheid en daarom vrijwel onverslaanbaar. Bovendien gebruiken ze naast hun relatief sterke kaken, hun angel. Iets wat Lasius-soorten missen. De laatsten gebruiken mierenzuur als afweer, maar het lijkt wel of zaadmieren hier niet zo gevoelig voor zijn.

Mieren als voedsel
In de serre aan mijn huis, leeft een kolonie zaadmieren. In die zelfde serre bevond zich ook een gemengde kolonie van de schaduwmier en de glanzende houtmier (voor details klik hier). 23 juni 2013 vond ik op de storthoop van dit nest honderden restanten van schaduwmieren en tien van glanzende houtmieren. Kennelijk had ik het jaar daarvoor niet alle mieren alle schaduwmieren en glanzende houtmieren weten uit te graven. Opmerkelijk was ook dat er tientallen gele weidemieren en een tiental wegmieren op de storthoop lagen. Die moeten van buiten zijn gekomen. Met andere woorden: de zaadmieren zijn actief in hun omgeving op mierenjacht geweest. Andere organismen op de storthoop waren enkele spinnen, wat mijten, enkele kortschildkevers en vele plantenzaadjes.

Welke soort?
We gaan er vanuit dat er twee soorten zaadmieren in Neerlands vrije natuur  leven: de bruine zaadmier T. impurum (alleen in het Limburgse heuvelland) en de zwarte zaadmier, die je overal in het land tegen kunt komen. Maar is dit wel zo? Wereldwijd zijn er ongeveer 450 soorten zaadmieren beschreven en er ligt nog een reeks om nog te worden beschreven. Het determineren van zaadmieren in Centraal, Zuid en Oost Europa is ondoenlijk. Voor het determineren van de soorten die lijken op T. caespitum en T. impurum heeft men software ontwikkeld, zie  http://homepage.boku.ac.at/h505t3/DiscTet/. Van elke mier heb je 21 metingen nodig. Die moet je invoeren in het softwareprogramma, waarna je pc je meedeelt dat het hoogstwaarschijnlijk om die en die soort gaat.
En onze succesvolle zaadmier? Is dat, zoals we steeds aannemen T. caespitum? Of een plotseling succesvollere tweelingsoort van de laatste?

 
  Zwarte zaadmier. Foto: antweb.org.    
  zwarte zaadmier    
  Zwarte zaadmier. Foto: antweb.org.    
  nestingang_tetramorium    
  Nestingang van zwarte zaadmier. Rondom de opening liggen recent naar buitengewerkte zandkorrels.    
  zaadmier_habitat    
  Habitat van zwarte zaadmieren in dorpen en steden.    

 

laatste update: 23.06.2013